De Blauwe Engel (DE-1 en DE-2): Pioniers van de diesel-tractie

Portret van Jan van der Meer, modelspoorengineer en DCC-expert
Jan van der Meer
Modelspoorengineer & DCC-expert
Spoorweg Historie & NS Feiten · 2026-02-15 · 4 min leestijd

Stel je voor: het is de vroege jaren vijftig, en in het noorden en oosten van Nederland rijden nog stoomtreinen op dunbevolkte lijntjes. De NS zocht naar een goedkoper, moderner alternatief.

Het antwoord kwam in de vorm van een opvallende, blauwe verschijning: de DE-I en DE-II, beter bekend als de Blauwe Engel.

Dit waren de pioniers van de dieseltrek bij de NS en ze zouden het landschap van het Nederlandse regionale spoorverkeer voorgoed veranderen.

De feiten op een rij: gebouwd voor de toekomst

Deze iconische treinen werden in een razend tempo ontwikkeld en gebouwd. Tussen 1953 en 1954 rolde een aanzienlijke vloot uit de fabriekshal van N.V. Allan in Rotterdam.

Het ging om 30 losse motorrijtuigen (DE1, nummers 21-50) en 46 tweerijtuigstellen (DE2, nummers 61-106).

Een opvallend detail: de bestelling voor de DE2 werd vlak voor de productie verhoogd van 45 naar 46 stellen. Dit gebeurde nadat een prototype, de DE3, bij een ongeval bij Gouda verongelukte en er extra materieel nodig was. Hun bijnaam dankten ze aan hun oorspronkelijke, opvallende blauwe kleurstelling.

Een ander herkenbaar kenmerk was de zogenaamde 'Allan-vleugel' op de neus. Technisch waren ze vooruitstrevend: de DE1-motorrijtuigen hadden een AEC-dieselmotor van ongeveer 225 pk, gekoppeld aan een Brown Boveri-uitlaatgasturbine voor extra efficiëntie. De tractiemotoren waren van het type Heemaf.

Inzet en dienstregeling: het werkpaard van de nevenlijnen

De Blauwe Engelen werden specifiek ingezet op de nevenlijnen in gebieden als Noord- en Oost-Nederland.

Denk aan trajecten die nu onder de vlag van vervoerders als Arriva en Connexxion (Syntus) vallen. Ze vervingen daar de stoomtractie en maakten het reizen op deze lijnen betaalbaarder en betrouwbaarder. Hun inzet verspreidde zich over verschillende dienstregelingsjaren, waarbij ze vaak de enige dieseltreinen op een lijn waren.

Later, in hun carrière, kwamen ze ook terecht bij regionale vervoerders zoals Oostnet. De treinen waren flexibel: de DE1-motorrijtuigen konden alleen rijden, terwijl de DE2-stellen uit twee rijtuigen bestonden en meer passagiers konden vervoeren.

De tankinhoud van een DE1 was 785 liter diesel, waarvan 500 liter nuttig gebruikt kon worden.

Dat klinkt misschien weinig, maar voor de kortere regionale trajecten was het ruim voldoende.

Aanpassingen en modernisering: van blauw naar geel

Net als veel ander spoorwegmaterieel ondergingen de Blauwe Engelen in hun lange levensduur talloze wijzigingen. De meest in het oog springende was de huisstijl.

De oorspronkelijke blauwe kleur maakte in de loop der jaren plaats voor het bekende NS-rood. Een grootschalige modernisering vond plaats vanaf 1976. Een groot deel van de vloot werd toen in het geel geschilderd en kreeg nieuwe nummers in de reeks 161-186.

Naast de kleur werden ook veiligheidssystemen ingebouwd. Zo werden veel stellen voorzien van het Automatische Trein Beïnvloeding (ATB)-systeem.

Voor internationaal gebruik werden sommige treinen zelfs uitgerust met het Duitse 'Indusi'-systeem. Een heel bijzondere uitvoering was de NS 20, bijgenaamd de 'Kameel'. Dit was geen gewoon passagierstreinstel, maar een speciaal inspectievoertuig voor de directie van de NS. Het toont aan hoe veelzijdig het basisontwerp was, zeker in vergelijking met de iconische diesellocs die de stoomtrein vervingen.

Levenseinde en nalatenschap: van sloop naar museum

Na decennia trouwe dienst kwam in de jaren tachtig en negentig het einde voor de meeste Blauwe Engelen. De afvoer ging gepaard met de gebruikelijke gang naar sloperijen, zoals het beruchte 'treinenkerkhof' in Roosendaal, waar wachtend sloopmaterieel een troosteloos beeld bood.

Gelukkig is niet alles verloren gegaan. Een aantal exemplaren is bewaard gebleven als museummaterieel.

Een bijzonder duo is bijvoorbeeld de DE1 41 en de DE2 186, die samen een mooi beeld geven van de beide uitvoeringen. Het is dankzij de inspanningen van museumlijnen en liefhebbers dat we deze pioniers vandaag de dag nog in actie kunnen zien. Een leuk weetje: de Nederlandse Blauwe Engelen waren niet uniek.

De fabrikant Allan leverde vergelijkbare treinen ook aan Portugal. Deze 'Portugese Blauwe Engelen' hadden een eigen karakter, maar waren duidelijk familie van de Nederlandse versie.

Het toont de internationale invloed van dit Nederlandse treinontwerp. Voor de liefhebbers van technische details: in 1954 werd een officieel instructieboekje uitgegeven. Dit soort documenten is tegenwoordig een gewild verzamelobject en geeft een fascinerend inkijkje in de bediening en het onderhoud van deze machines.

Praktische tips voor liefhebbers

Wil je meer te weten komen over de Blauwe Engel? Hier zijn een paar concrete tips:

  • Bezoek een museumlijn: Lijnen als de Museumstoomtram Hoorn-Medemblik of de STAR in Stadskanaal hebben regelmatig rijdagen met historisch dieselmaterieel. Check hun websites voor de dienstregeling.
  • Zoek naar documentatie: Originele boekjes, foto's en technische tekeningen duiken regelmatig op op gespecialiseerde veilingen of beurzen.
  • Let op de details: Als je een museumstuk ziet, let dan op de kleur (blauw, rood of geel), het nummer en de aanwezigheid van de karakteristieke 'Allan-vleugel' op de neus. Die details vertellen het verhaal van de levensloop.
  • Verken de Portugese connectie: Voor de échte liefhebber is het vergelijken van de Nederlandse en Portugese versies een leuke puzzel. De verschillen in details en uitrusting zijn interessant.

De Blauwe Engel was meer dan alleen een trein; net als bij de unieke neus van de Hondekop, was het een symbool van de modernisering van het Nederlandse spoor.

Van de eerste proefrit van de DE1 21 op 6 november 1952 tot aan de laatste dienstregeling, deze treinen hebben hun stempel gedrukt op een heel tijdperk. Ze bewijzen dat vooruitgang, net als bij de legendarische NS 1200, soms begint met een opvallende, blauwe verschijning op een rustig regionaal lijntje.

Portret van Jan van der Meer, modelspoorengineer en DCC-expert
Over Jan van der Meer

Jan bouwt al meer dan tien jaar gedetailleerde modelspoorlandschappen en specialiseert zich in digitale DCC-besturing. Hij deelt zijn praktijkervaring met complexe decoderprogrammering en schaalgetrouw baanontwerp op deze site.

Volgende stap
Bekijk alle artikelen over Spoorweg Historie & NS Feiten
Ga naar overzicht →